Spring naar inhoud

Vrije spinsels

De ziel vindt zichzelve...

Toen ik mij van de wereld sloot
Zo...dat alle kleur en vorm
geluid of reuk verdween; niets bood
herinnering aan stilt' of storm
Nu... zie ik het hoog en diep verschil
hier op aard . ons levenshuis
Het getier van eigen wil
dat alle wijsheid gans vergruist
Wij vinden chaos, hel en dood
Alles wat "van God verlaten"
leidt ons in een diepe nood
Kan een nieuw geloof ons baten?
Lessen onze dorst, stillen onze vragen?
Zal het zo zijn God mijn Heer,
wanneer wij U in 't harte dragen?...

De oude mens, dat slimme kind
waardoor uiteindelijk voortgedreven?
Waarmee is hij echt bevrind?
Wat het "waaromme" van zijn leven?
Ik, arme ziel, ik zoek U steeds
Ik.. mijn God en God voor mij
Zo wil ik leven - zo bekleed
Zo wil ik U mijn God nabij

R. Stoel

(bewerking van een gedicht van de 17e eeuwse doperse mysticus Jan Luyken)

-----------------------------------------------
Ook de dieren (Jes. 11)

In beschrijvingen van heiligenlevens bestaat een wonderlijke genegenheid tussen de heilige asceet en het dier.

Wel het onroerendste wordt het ons beschreven in de geschiedenis van de Ierse heilige Columba, de stichter van de communauteit te Iona aan de Schotse westkust.

Als Columba weet dat zijn levenseinde nabij is, gaat hij nog eens zijn eiland rond om afscheid te nemen; en op zijn terugkeer rust hij onderweg. "En terwijl de heilige daar zat om even uit te rusten, moe als hij was van de ouderdom, zie, daar kwam een wit paard naar hem toe, dat hem gehoorzaam placht te dienen en gewend was de melkemmers te dragen tussen de weide en het klooster. Het ging naar de heilige toe en, wonderlijk om te vertellen, legde zijn kop tegen zijn borst, door God, geloof ik, geinspireerd, van wie ieder levend wezen weet heeft met het besef dat de Schepper ervoor heeft vastgesteld. Daardoor wist het dat zijn meester het weldra zou verlaten en dat het hem niet langer zou zien. Het begon te klagen en als een mens liet het zijn tranen rijkelijk vallen op de schoot van de heilige, het schuimde sterk en weende. Toen Columba's knecht dat zag, begon hij de huilende klager te verdrijven. Maar de heilige verbood het hem met de woorden: "Laat hem maar, laat hem die ons lief heeft de tranen van zijn bitter verdriet maar hier aan mijn borst storten. Kijk, jij, je bent een mens en hebt een redelijke ziel, maar je hebt helemaal niet kunnen weten van mijn heengaan, behalve dan wat ikzelf je nu net heb geopenbaard. Maar dit stomme en redeloze dier heeft de Schepper op welke wijze Hij dat dan ook heeft gewild geopenbaard in alle duidelijkheid, dat zijn meester zou heengaan". En onder die woorden zegende hij zijn knecht het paard, terwijl het zich droevig van hem afwendde".

Adamnan, Leven van Columba III, 23, aangehaald in Reidans der heiligen, Hagiografische verkenningen, C. W. Monnich, Moussault's Uitgeverij NV, Amsterdam, 1962.

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Wroeging

Ik ween om woorden, die onuitgesproken bleven
Woorden van troost en deernis met jouw leed
Van dank voor 't geen jij was en voor mij deed
Van tederheid die ik verlangde jou door te geven
Doch nooit heb uitgezegd of neergeschreven
Uit schroom voor 't grote woord
die 't ware woord vermeed.....
Ik ween om woorden die onuitgsproken bleven
Om al wat ik verzweeg en jij niet weet.

Stil verdriet

zo goed verborgen

soms tastbaar

maar meestal niet...

Stil verdriet

lijkt soms verdwenen

maar echt verdwijnen

doet het niet

------------------------------------------------------------------------------------

Winterstilte

De grond is wit, de nevel wit
De wolken waar nog sneeuw in zit
Zijn wit dat zacht vergrijzelt
Het fijngetakt geboomte zit
Met witte rijp beijzeld

De wind houdt zich behoedzaam stil
Dat niet het minste takgetril
't kristallen kunstwerk breke
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken

De grond is wit, de nevel wit
Wat zwijgend toverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootse stille wonder.

-------------------------------------------

Slechts de zelf geweven stoffen
Eigen wol-en linnengoed,
Vormden steeds de Drentsche kleeding,
't Hout gaf klompen aan den voet

"Sterk en warm"dit waren de eischen
Aan de kleeding hier gesteld,
En bij alles overwoog men:
"Goede waar voor weinig geld"!

Nieuwe snit was geen vereischte,
't Voorgeslacht werd nagedaan,
Drenthe gaf 't klassieke voorbeeld
Dat de mode bleef bestaan

Naar de vormen in de oudheid
Kleedde men zich eeuwenlang,
Door het minst daar af te wijken
Hiervoor was een ieder bang.

Maar hoe ruw, hoe hard en vormloos,
Onder deze grove pij
Klopte toch een hart van trouwe,
Leefde een geest van banden vrij.

Trouw aan vrienden, vrij in 't denken
Was der ouden Drenthen aard;
Maar de diepste zielsgedachten
Bleven voor hemzelf bewaard.

 
 
------------------------------

EEN DING HEB IK BEGEERD

Eén ding heb ik begeerd; één ding heb ik ontvangen:

Dat, zo de dood mijn leden zou omvaên,

Ik voor uw aangezicht, o Bron van mijn Verlangen,

Niet ledig zoude staan!

Want, als op 't strand geslagen door de drift der branding

Een kinkhoorn, draagt mijn ziel uit dit mijn leven mee

De één onzegbare vreugd, die Gij mij hebt gegeven:

Het Ruisen van de Wind: het Ritme van de Zee!

Eén ding heb ik begeerd; één ding heb ik ontvangen:

Dat, zo de dood mijn leden zou omvaên,

Ik voor uw aangezicht, o Bron van mijn verlangen,

Niet ledig zoude staan!

(Geerten Gossaert, 1884-1954)

----------------------------------------------------
 

DE MOEDER

Hij sprak en zeide

In 't zaêl zich wendend:

Vaarwel, o moeder,

Nooit keer ik weer...

En door de lanen

Zag zij hem gaan en

Sprak geen vervloeking maar weende zeer.

Sprak geen vervloeking...

Doch, bijna blijde,

Beval de maagden:

Laat immermeer

De zetels staan en

De lampen aan en

De poort geopend, de slotbrug neer.

En toen, na jaren,

Melaats, een zwerver

Ter poorte klaagde:

Uw zóón keert weer...

Zag zij hem aan en

Vond gene tranen,

Voor zoveel vreugde geen tranen meer.

(Geerten Gossaert, 1884-1954)

------------------------------------------------------
 

Leid vriend'lijk licht (gezang 230 oude bundel)

Leid vriend'lijk licht, mij als een trouwe wacht,

Leid Gij mij voort

ḱ Ben ver van huis en donker is de nacht

Leid Gij mij voort

Schoon ook de toekomst mij verborgen zij

Licht stap voor stap mij met uw schijnsel bij

Niet immer sprak mijn ziel zo stil tot U

Leid Gij mij voort

Ik liep mijn weg bij eigen licht maar nu

Leid Gij mij voort

Mijn zonlicht zonk, maar ach mijn hoogmoed liet

Mijn hart geen rust en 'k vond de vrede niet

Schenk mij uw zegen, toon m' uw wondermacht,

En leid mij voort

Langs 't smalle pad tot in de donk'ren nacht

De morgen gloort

Dan lacht mij toe der eng'len trouwe wacht

Die mij geleidd' en mij heeft thuisgebracht.

 

STERVEN IS DE OVERGANG NAAR HET ANDERE LEVEN

Sterven is de overgang
van hier naar eeuwig leven,
sterven is, al wat je kreeg
ook weer uit handen geven.

De één gaat vroeg, de ander laat,\
geen mens kan dat bepalen.
Bij welke van de twee je hoort,
is niet te achterhalen

Het moeilijkst is voor ieder mens,
dood kent geen onderscheid,
het afstand doen van dierbaren
in ruil voor eeuwigheid.

Maar wel gaat door, wat hier begon,
die liefde die ons bond
en sterker nog: het bindt ons weer
want God is dat verbond.

 

 
--------------------------------------------------------------

 

THE DONKEY

When fishes flew and forests walked

And figs grew upon thorn,

Some moment when the moon was blood

Then surely I was born;

With monstrous head and sickening cry

And ears like errant wings,

The devil's walking parody

On all four-footed things.

The tattered outlaw of the earth,

Of ancient crooked will;

Starve, scourge, deride me: I am dumb,

I keep my secret still.

Fools! For I also had my hour;

One far fierce hour and sweet;

There was a shout about my ears,

And palms before my feet.

G. K. CHESTERTON

-----------------------

HET EZELTJE

Het is een dier met zeer wijze ogen, dat Meester Gilbert heeft gehouwen op het kapiteel in de kathedraal van Autun met de voorstelling van de vlucht naar Egypte. Zeer wijze en zeer droevige ogen, zoals alleen ezeltjes ze kunnen hebben. Er ligt alle onbegrepen, maar aanvaarde knechtschap in. Het is maar een veracht dier in het huishouden van de mens en zo kijkt het ook. Het kijkt zoals het ezeltje keek van de putjesschepper, dat ik in mijn jongensjaren wel in Amsterdam zag. Het stond gespannen voor een haveloos, roodbruin karretje. Zijn meester prutste met een stok in een putje aan de kant van de huizen; hij gooide het drab, dat hij ophaalde, in een emmer en de emmer werd in het karretje geleegd. Als hij klaar was, nam hij de leidseltouwen, met een rietstok gaf hij het beest een tik op de billen en dan sjokte het weer verder.

Het verachte dier, vuil en raar, met zijn kleine kop en veel te grote oren.
Maar God heeft de ezels lief en Hij heeft ze uitverkoren om Zijn zegen te dragen.
Bileam kon zijn vloek niet uitspreken, die hij op last van Moab over Israël te zeggen had, omdat zijn ezelin de engel des Heren met een vlammend zwaard tot driemaal toe op de weg zag staan, door zijn ezeltje leerde hij de Heer kennen en leerde zegenen wie de Heer zegende.
En een ezeltje droeg de mensgewordene en zijn moeder, zoals later een ezeltje de koning
van Jeruzalem de stad van God zou binnendragen. Het verachte dier.
Maar eenmaal heeft het al mogen zien de goede orde van Gods schoonheid, de paradijselijke heerlijkheid van vrede tussen God en mens en schepping.
En langs de weg door de woestijn springen bloemen op waar het ezeltje zijn hoeven zet, zo heeft Meester Gilbert, lijkt het wel, de vlucht naar Egypte gezien. Wat kunnen de rozetten langs de onderrand van het kapiteel anders vertellen? Eerder dan de mens heeft het ezeltje geweten van de redding, die er wezen zal voor mens en dier.

Het zijn wijze ogen, die naar de rug van Jozef kijken. De ogen van een geknecht dier.
Maar het is niet alleen de droevige wijsheid, dat zelfs paniek niet baat onder de knechtschap.
Gods wereld heeft een toekomst door de last, die dit ezeltje van Meester Gilbert heeft gedragen en die zijn soortgenoot binnen de poorten van Jeruzalem zou brengen.
De eenzaamheid van de mens zal voorbij zijn, want de last van het ezeltje op het kapiteel in de kathedraal gaat naar het altaar en zal er zijn wereld spijzigen met zijn lichaam en bloed.
Dat heeft dit rare dier eerder geweten dan welke mens ook, behalve de Mensgeworden Zoon van God zelf.

Bron: C. W Mönnich, PELGRIMAGE, ontmoetingen met de cultuur,
Moussault' s Uitgeverij N.V., Bussum, 1956.

----------------------------------------

NAJAARSLAAN

Ik keek in de gouden heerlijkheid

Van een najaarslaan,

Het was of ik de goudene deuren wijd

Zag openstaan,

Het was mij, toen ik binnen ging,

Of ik door gouden gewelven liep.

Ik aarzelde even, ik ademde diep,

Diep van verwondering.

Ik voelde mij eerst als een kindje , dat stout

Doet wat verboden is.

Ik sprak: "Zijn voor die gewelven gebouwd?

Ben ik zo rijk, dat van louter goud

De gang mijner woning is? "

Toen sprak ik: "Deze gouden grot

Is immers geen menschenpaleis".

Ik sprak: "Het is een betooverd slot,

Dat lang op sprookjeswijs

Geslapen heeft en stil gewacht,

Op één die de poorten ontdekken zou,

De doode gewelven wekken zou

Van 't huis, dat ieder menschenhuis

Te boven gaat in pracht".

Ik sprak: "Hoe ben ik zoo rijk, zoo rijk!

Hoe ben ik zoo rijk, mijn God!

Welk aardsche woning is gelijk

Aan dit, mijn sprookjes slot? "

Trotsch, of ik een prinsesje waar,

Ging ik door 't goud;

Aan beide zijden stonden daar,

Schragend de gangen, hoog en zwaar,

De zuilen opgebouwd.

Waar gouden de portalen zijn,

Hoe zullen daar de zalen zijn!

Ik zag aan 't einde van mijn pad

Een kleine ronde poort,

Als blauw saffier in goud gevat,

En haastig, vol verlangen trad

Ik door de gangen voort.

Ik sprak: "Als bij mijn aankomst wijd

Die poorten openstaan,

In welk een grote heerlijkheid

Zal ik dán naar binnen gaan,

Indien van goud de gangen zijn,

Hoe groot moet mijn verlangen zijn

De zalen in te gaan!"

Jaqueline van der Waals

bron:" Onze Eeuw", jaargang 3, 1903