Spring naar inhoud

Kerst 2011

GRIET

Griet heette zij. Zij was verstandelijk zeer beperkt. In 1933 in een Noord-Gronings dorpje is zij geboren in een eenvoudig arbeidersgezin: vader, moeder en broer Ebo. Haar jeugd werd mede getekend door crisis en oorlogsjaren. De mobilisatietijd had zich in haar eenvoudige ziel afgedrukt in de woorden die zij vaak gebruikte, wanneer het haar teveel werd: "Ach...'t is een boudel in dainst, altmoal soldoatenen gain geweren".
Nadat vader en moeder en haar broer Ebo gestorven waren zei een gezinshulp die al jaren in het gezin kwam, tegen Griet: "Doe gaist mit mie mit". En Griet heeft nog een aantal jaren heel fijn en gezellig in het boerengezin van vrouw Hovinga geleefd. Het waren zelfs Griet's mooiste jaren. Zij veranderde van een angstige vrouw, die sterk geneigd was in een hoekje te kruipen, in een vrolijke vrouw. Zij beantwoordde de zegeningen die haar ten deel vielen in het gezin van vrouw Hovinga met onbeheerste uitingen van geluk.
Een lastige eigenschap bleef Griet houden. Bij het oversteken van de straat ging Griet zelfs
midden op de straat zitten, wanneer zij een aankomende auto ontwaarde.
Boem...daar zat Griet en om haar dan weer overeind te krijgen en mee te nemen naar het trottoir was geen sinecure. Zij kroop in elkaar als een egeltje bij naderend gevaar.
Op een van haar verjaardagen had Griet een prachtige witte jurk gekregen. Zij was heel blij en een stil verdriet in haar werd getroost door de jurk. Zij had veel jonge meisjes in een witte jurk zien trouwen en voelde wel dat dat haar nooit gegeven zou zijn.
Toen Griet 58 jaar was, werd zij ziek. De dokters constateerden kanker.
Griet lag apart toen ik haar opzocht in het ziekenhuis.
Pruttelende en piepende apparaatjes waren door slangetjes via de onderarm met Griet verbonden. Griet snapte er niks van en reageerde erop zoals zij altijd deed in bedreigende ogenblikken, zij trok zich helemaal in zichzelf terug. Ik voelde me ook niet welkom. Wanneer ik iets tegen haar probeerde te zeggen, liet ze mij met knorrige, onverstaanbare woorden merken, dat ik me beter stil kon houden. Eigenlijk beter gewoon weg kon gaan.
Na een paar dagen kon Griet weer naar vrouw Hovinga . Ze konden in het ziekenhuis niets voor
haar doen dan enkel wat pijn bestrijden. Zij heeft nog een paar maanden geleefd. Op een dag zei ze tegen vrouw Hovinga dat ze de witte jurk aan wilde. Dat was een heel gedoe om zo'n zwaar zieke vrouw nog eens in een jurk te hijsen. Maar Griet stond er op, ondanks de pijn die dat voor haar zou meebrengen. In die jurk is zij dezelfde dag gestorven.

Griet, met haar beperkte gaven en de voor haar moeilijke omstandigheden waarin zij opgroeide
en als volwassene moest leven, heeft niet veel van haar innerlijk kunnen laten zien en daaraan
vorm kunnen geven in haar leven, in haar omgeving. Maar heeft door alle jaren heen haar
innerlijk weten te behoeden voor aantasting. Door gewoon in zichzelf weg te kruipen en als het
nodig was zich op te rollen als een egeltje.
En juist dit innerlijk, haar ziel, wilde zij teruggeven aan God in een wit kleed, de kleur van
ongeschondenheid en maagdelijheid.
Wat een kracht!
Griet, zij rust reeds twintig jaar op het kerkhof in een klein dorpje in het noorden van Groningen.

R. Stoel

Asperges me

(een prachtige antifoon uit de gregoriaanse mis)

Asperges me, Domine, hyssopo et mundabor;
Lavabis me, et super nivem dealbabor

(Besprenkel mij met hyssop, Heer, dan word ik weer rein
was mi j dan word ik weer witter dan sneeuw)

 

BEDE

 
Schoonheid die in de hemel zijt
die ons de Eeuwigheid heeft opgeschreven
Geef ons van uw eindeloosheid
Geef ons van uw overhevenheid
van uw geweldigheid
om goed te leven
Schoonheid die in de wereld zijt
die tussen mensen hangt te beven
Geef ons uw eenvoudigheid
Geef uw mededeelzaamheid
van uw deemoedigheid
om goed te leven
Schoonheid die in ons zelve zijt
die moeder ons heeft meegegeven
Geef aan onz' ogen de zuiverheid
Geef aan ons hoofd uw helderheid
Ons hart de dapperheid
Eerlijk te leven
Schoonheid, die Godes zijt
die Christus ons heeft meegegeven
Geef aan 't geweten vastigheid
Geef aan de ziel deemoedigheid
verleen ons goedertierenheid
teder te leven
Dr. K. H. Miskotte

 

WAT VERBINDT.......

 
Wat verbindt deze teksten, hierboven met elkaar?
In het verhaal "Griet" , in de gregoriaanse antifoon, het citaat uit het geboorteverhaal van Lukas en de "bede" van Miskotte staat het "kostbare" als niet nader te benoemen en onvervangbaar in en om ons beschreven. Griet bekleedt dat met haar witte jurk en zo geeft zij dat "kostbare" terug aan God.
In "asperges me" laat de zanger zich wassen, totdat alle vuil en ongerechtigheden die dat "kostbare" aan het oog onttrekken, weer zichtbaar wordt. Opdat ik weer witter wordt dan sneeuw.
Maria toont ons, zo vertelt het Lucasevangelie, het kostbaarste wat ze heeft. Haar kind!. Maar ze toont het aan de mensen, de wereld, haar kind 'gewikkeld in doeken'.
Dr. Miskotte drukt dat "kostbare" uit met het woord "schoonheid", schoonheid, die in de hemel is, in de wereld tussen ons mensen en in onszelf. Die "schoonheid" is van God. Die "schoonheid" te kennen en te verzorgen in onszelf en om ons heen maakt dat wij goed en eerlijk en teder kunnen leven.

 

KERSTMIS 2011.......

 
Wij voelen als het ware instinctief wel aan dat dat "kostbare", schoonheid" verzorgd moet worden,
gekoesterd moet worden, steeds weer opnieuw in mensen gewekt moet worden, ja zelfs weer
opnieuw "geboren" moet worden.
Dat gevoel wordt aangesproken in Maria die haar kind aanbiedt aan de wereld van ons mensen,
schuchter en gewikkeld in doeken........
 
 
R. Stoel